Interview met Nina Wijnmaalen over haar Artist in Space traject (2025)

Interview with Nina Wijnmaalen about her Artist in Space traject (2025)

Nina Wijnmaalen (1980) werkt op het grensvlak van performancekunst en podiumkunst, in een praktijk die zich niet zo makkelijk in hokjes laat plaatsen en voortdurend tegen grenzen aanschuurt. Haar werk ontstaat vanuit beelden, herinneringen en een intens aandachtige omgang met de mensen die op het podium staan. Voor het traject Artist in Space ontwikkelt ze een nieuw werk dat voortkomt uit de lichamen, verhalen en associaties van de performers waarmee ze werkt.

Nina Wijnmaalen (1980) works at the intersection of performance art and performing arts, in a practice that is difficult to categorise and constantly pushes boundaries. Her work is based on images, memories and an intensely attentive interaction with the people on stage. For the Artist in Space programme, she is developing a new work that stems from the bodies, stories and associations of the performers she works with.

“Ik ben ooit begonnen met het schetsen van beelden die gebaseerd waren op jeugdherinneringen. Ik tekende scènes die me waren bijgebleven: mijn moeder die in woede borden één voor één op de grond liet vallen, een vriendin die te horen kreeg dat niemand wist of zij een jongen of meisje was. Dat soort momenten leggen iets bloot van hoe kinderen elkaar kunnen bezien, hoe hardheid en kwetsbaarheid door elkaar lopen. Vanuit die beelden begon ik theatrale, beeldende performances te ontwikkelen, al liep ik al snel tegen de kaders van het veld aan die allemaal net niet goed pasten of een context gaven waarin ik me niet helemaal thuis voelde. Omdat ik niet werkte op een klassieke theatervloer en ook niet binnen de paden van de beeldende kunst, viel ik vaak tussen wal en schip. Maar juist dat gebied daartussen werd artistiek het meest interessant en uiteindelijk de plek waar ik me het meeste thuis voel. Ik wil werken met echte mensen, mensen die zichzelf kunnen zijn zonder het neutrale masker van acteurs dat voor mij vaak zo gekunsteld voelt. Steeds meer ben ik gaan vertrouwen op mijn intuïtie, mijn eigen manier van kijken, en het besef dat mijn werk ontstaat vanuit intensiteit, aandacht en een voortdurend zoeken naar beelden die kloppen met wie wij als mensen zijn.

I once started sketching images based on childhood memories. I drew scenes that had stayed with me: my mother throwing plates on the floor one by one in anger, a friend being told that no one knew whether she was a boy or a girl. Moments like these reveal something about how children can view each other, how hardness and vulnerability are intertwined. From those images, I began to develop theatrical, visual performances, although I soon came up against the boundaries of the field, which didn’t quite fit or provided a context in which I didn’t feel entirely at home. Because I wasn’t working in a traditional theatre setting or within the confines of the visual arts, I often fell between two stools. But it was precisely that area in between that became the most interesting artistically and ultimately the place where I feel most at home. I want to work with real people, people who can be themselves without the neutral mask of actors, which often feels so artificial to me. I have come to rely more and more on my intuition, my own way of seeing things, and the realisation that my work arises from intensity, attention and a constant search for images that resonate with who we are as human beings.

Nog steeds begin ik in mijn werk bijna altijd met beelden. Ik schets ze, ik voel ze terug in mijn lichaam, en ik vertrouw erop dat daar iets in zit wat betekenis draagt. Die beelden kwamen lange tijd vooral uit mijn eigen herinneringen, maar voor dit nieuwe traject werk ik voor het eerst met de verhalen van de performers zelf. Het is spannend om dat los te laten, om niet vooraf alles uit te tekenen, maar het materiaal echt bij hen te laten ontstaan. Ik heb ze tools aangereikt, onder andere via een psychomotorisch therapeut die hen bewust maakte van lichaam, ademhaling en sensaties, zodat ze gerichter kunnen nadenken over de thematiek. Langzaam groeiden er beelden vanuit hun herinneringen: geuren, kleuren, ruimtes, pijnlijke en mooie momenten, opstellingen waarin iets uit hun familiestructuren zichtbaar werd. Vaak komt uit zo’n sessie maar één beeld dat echt bruikbaar is, maar dat ene beeld kan genoeg zijn om verder op te bouwen.

Het werken als groep vraagt veel van iedereen, en daarom was het voor mij belangrijk om te beginnen met de expectations and needs-toolkit. We hebben uitgesproken wat iedereen nodig heeft, wat ze van elkaar verwachten en wat ze van mij mogen vragen. Ik ben gewend om alles zelf te dragen, als een soort moeder van zeven mensen, maar dat is extreem belastend en het helpt wanneer verantwoordelijkheid gedeeld kan worden. Voor de mensen met wie ik werk is dit ongebruikelijk, maar ook voor mij is het een proces van loslaten.

I still almost always start my work with images. I sketch them, I feel them in my body, and I trust that there is something meaningful in them. For a long time, those images came mainly from my own memories, but for this new project, I am working with the performers’ own stories for the first time. It is exciting to let go of that, not to sketch everything out in advance, but to let the material really emerge from them. I have given them tools, including through a psychomotor therapist who made them aware of their bodies, breathing and sensations, so that they can think more specifically about the theme. Slowly, images grew from their memories: smells, colours, spaces, painful and beautiful moments, constellations in which something from their family structures became visible. Often, only one image that is really usable comes out of such a session, but that one image can be enough to build on.

Working as a group demands a lot from everyone, which is why it was important for me to start with the expectations and needs toolkit. We expressed what everyone needs, what they expect from each other and what they can ask of me. I am used to carrying everything myself, like a mother of seven, but that is extremely stressful and it helps when responsibility can be shared. This is unusual for the people I work with, but it is also a process of letting go for me.

Ik beweeg me al jaren tussen performancekunst en podiumkunst, zonder dat ik precies in één van die werelden pas. Instellingen weten vaak niet waar ze me moeten plaatsen: ik werk op specifieke locaties, niet in black boxes; ik werk met echte mensen, geen acteurs; en ik vraag een intensiteit en concentratie die soms dwars tegen theaterconventies ingaat. Theater voelt vaak als een plek waar veiligheid wordt verwacht, een vorm van entertainment bijna. Die behoefte aan comfort past niet bij wat ik maak. Mijn werk mag schuren. Ik wil niet dat het publiek achteroverleunt met een glaasje rosé. Ik wil dat het iets doet, dat het echt binnenkomt. In Duitsland of België zou dat misschien vanzelfsprekender zijn, in vergelijking met Nederland, waar de waardering voor kunst en de openheid voor dingen die als confronterend kunnen worden ervaren echt een stuk minder is.

Toch blijf ik geloven in dat tussenveld: de ruimte waarin echtheid doorwerkt. Ik werk met echte mensen die zichzelf spelen, maar wel binnen een choreografie waarin elke blik, hand, voet en adem bewust aanwezig moet zijn. Dat neutrale, lege masker dat je vaak in de theaterwereld ziet interesseert me niet. Ik wil de eigenheid van iemand laten zien, de kwetsbaarheid die in een lichaam zit dat zichzelf blijft. Die intensiteit is voelbaar, en dat vind ik belangrijker dan welke theatrale vorm dan ook.

For years, I have been moving between performance art and performing arts, without fitting neatly into either world. Institutions often don’t know where to place me: I work in specific locations, not in black boxes; I work with real people, not actors; and I demand an intensity and concentration that sometimes goes against theatre conventions. Theatre often feels like a place where safety is expected, almost a form of entertainment. That need for comfort does not fit with what I create. My work is allowed to be abrasive. I don’t want the audience to sit back with a glass of rosé. I want it to do something, to really get inside them. In Germany or Belgium, that might be more natural, compared to the Netherlands, where appreciation for art and openness to things that can be perceived as confrontational is much less prevalent.

Still, I continue to believe in that middle ground: the space where authenticity resonates. I work with real people who play themselves, but within a choreography in which every glance, hand, foot and breath must be consciously present. I’m not interested in the neutral, empty mask that you often see in the theatre world. I want to show someone’s individuality, the vulnerability that lies in a body that remains itself. That intensity is palpable, and I find that more important than any theatrical form.

Voor What the body remembers, de huidige werktitel, ben ik samen met de performers aan het onderzoeken wat het lichaam bewaart. Niet alleen trauma’s, maar ook beelden die ergens zijn blijven hangen, emoties die hun weg nog niet hebben gevonden. We improviseren, maar binnen duidelijke kaders. Ik kijk scherp naar wat klopt met de thematiek en wanneer een beeld te theatraal wordt, want dat zoek ik niet. Ik werk liever vanuit intensiteit dan vanuit effect.

Een van de mogelijke openingsbeelden is een vrouw die een man voedt, geïnspireerd op een klassiek schilderij waarin een dochter haar vader borstvoeding geeft om hem van de hongerdood te redden. Het is een beeld dat veel losmaakt, maar het is voor mij vooral een menselijk beeld over zorg, over de ambiguïteit van nabijheid, over het zogen als symbolische beweging. Vroeger werkte ik veel met klassieke kostuums, maar nu wil ik dichter bij onze eigen realiteit komen. Alle performers gaan waarschijnlijke hedendaagse kleding dragen, omdat dat beter aansluit bij de manier waarop ik nu wil werken.

Locatie speelt in mijn werk altijd een grote rol. Ik zoek ruimtes die mee ademen, die hoogte en diepte hebben, die het beeld niet platdrukken. Kerken hebben die sacraliteit die ik fijn vind, al kan de religieuze context soms ongewenste betekenissen oproepen, zeker wanneer er ontblote lijven voorkomen. Fabriekshallen hebben weer hun eigen rauwheid, maar die zijn praktisch en financieel uitdagend voor iemand die zelfstandig werkt. Wat ik zoek is een plek die de thematiek ondersteunt zonder te overheersen, een plek waar de beelden vrij kunnen bestaan. Hoogte geeft ruimte aan het innerlijke en het spirituele, en ik denk dat dit werk dat nodig heeft. Daarom ben ik nog op zoek naar een plek die aansluit bij deze sfeer.

For What the body remembers, the current working title, I am exploring what the body retains, together with the performers. Not only traumas, but also images that have stuck somewhere, emotions that have not yet found their way. We improvise, but within clear boundaries. I look closely at what fits with the theme and when an image becomes too theatrical, because that is not what I am looking for. I prefer to work from intensity rather than effect.

One of the possible opening images is a woman feeding a man, inspired by a classical painting in which a daughter breastfeeds her father to save him from starvation. It is an image that evokes many emotions, but for me it is above all a human image about care, about the ambiguity of closeness, about suckling as a symbolic movement. I used to work a lot with classical costumes, but now I want to get closer to our own reality. All the performers will probably wear contemporary clothing, because that fits better with the way I want to work now.

Location always plays a major role in my work. I look for spaces that breathe, that have height and depth, that don’t flatten the image. Churches have that sacredness that I like, although the religious context can sometimes evoke unwanted meanings, especially when naked bodies are present. Factory halls have their own rawness, but they are practically and financially challenging for someone who works independently. What I am looking for is a place that supports the theme without dominating it, a place where the images can exist freely. Height gives space to the inner and the spiritual, and I think this work needs that. That is why I am still looking for a place that matches this atmosphere.

Mijn thematiek beweegt zich vaak rond relaties: hoe we naar elkaar kijken, hoe we oordelen, hoe we elkaar iets aandoen zonder het door te hebben. In eerdere werken stonden kinderen bijvoorbeeld boven op een vrouw en vroegen ze waarom ze zoveel vlees had. In een ander werk sneden kinderen stukken uit het schilderij van een kunstenaar. Altijd zit er een vraag in, een spiegel: wat zien we in elkaar en wat missen we? Ik wil niet vingerwijzend zijn; ik laat alleen zien wat ik zie. Het publiek mag zelf bepalen wat het ermee doet. Sommigen ervaren het als confronterend, sommigen missen liefde, anderen herkennen juist de warmte onder de ruwe laag. Mijn werk heeft contrast nodig. Het mag niet lauw zijn.

Ik ben nu een aantal maanden onderweg in dit traject. Er liggen zo’n twintig beelden die we verder gaan uitwerken. Soms twijfel ik, voel ik de druk van het veld, het idee dat een beeld diep genoeg moet zijn om te mogen bestaan. Maar het traject geeft me de ruimte om te groeien, om langzaam te ontdekken waar ik pas en hoe ik verder kan. Misschien past dit werk straks in een kerk, misschien in een fabriekshal. Wat ik in ieder geval wil, is dat het publiek straks de intensiteit voelt, de eerlijkheid en de spanning van menselijke aanwezigheid die zich niet laat inperken door de kaders van het creatieve veld.”

My themes often revolve around relationships: how we view each other, how we judge each other, how we hurt each other without realising it. In earlier works, for example, children stood on top of a woman and asked her why she had so much flesh. In another work, children cut pieces out of an artist’s painting. There is always a question, a mirror: what do we see in each other and what do we miss? I don’t want to point fingers; I just show what I see. The audience can decide for themselves what to do with it. Some find it confrontational, some miss love, others recognise the warmth beneath the rough surface. My work needs contrast. It can’t be lukewarm.

I’ve been working on this project for several months now. There are about twenty images that we will continue to develop. Sometimes I have doubts, I feel the pressure of the field, the idea that an image must be deep enough to exist. But the process gives me the space to grow, to slowly discover where I fit in and how I can move forward. Perhaps this work will eventually fit in a church, perhaps in a factory hall. What I want, in any case, is for the public to feel the intensity, the honesty and the tension of human presence that cannot be confined by the boundaries of the creative field.

✍️ Tekst: Dinnis van Dijken
📸 Foto’s: Sander van der Bij

✍️ Text: Dinnis van Dijken
📸 Photos: Sander van der Bij

Nina Wijnmaalen volgen? Dat kan via:

👉 ninawijnmaalen.nl
👉 instagram.com/ninawijnmaalen

Meer informatie over What the body remembers vind je via 👉 instagram.com/what_the_body_remembers

De voorstelling wordt op twee momenten opgevoerd in KEL-30 (De Biotoop / Haren):

🗓 Zaterdag 23 mei | 19.00 uur
🗓 Zondag 24 mei | 15.00 uur

🎟 Tickets hiervoor boek je via 👉 nina-wijnmaalen.weticket.io

Want to follow Nina Wijnmaalen? You can do so via:

👉 ninawijnmaalen.nl
👉 instagram.com/ninawijnmaalen

More information about What the body remembers can be found via 👉 instagram.com/what_the_body_remembers

The performance will be staged twice at KEL-30 (De Biotoop / Haren):

🗓 Saturday 23 May | 7:00 p.m.
🗓 Sunday 24 May | 3:00 p.m.

🎟 Tickets can be booked via 👉 nina-wijnmaalen.weticket.io